COLUMN GREEN.2

Vlielandse fazantfantasie
Noem het kneuterig, noem het burgerlijk, of kies een ander bijvoeglijk naamwoord. Ik kies voor knus en relaxed, zo voelt deze kampeervakantie met de hele familie op Vlieland. Tentje, duinpan, de waddenwind, wat wil je nog meer?
Meer ruimte om te koken zou lekker zijn. Maar het is ook best romantisch, zo op het gasbrandertje padvinderen. Macaroni, pannenkoeken en chili con carne staan op het menu. Neefje Aidan van drie snoept op schoot bij zijn lievelingstante (bij mij) tevreden zijn bordje leeg. Buitenlucht maakt hongerig.
Van onder zijn Spiderman-pet gluurt hij naar de pronkende zilvermeeuwen, duinkonijntjes en bonte fazanten. Topentertainment, vinden wij. Leuk speelgoed, vindt hij en springt van schoot om deze Efteling-parade vrolijk te verstoren.
Niet alleen Aidan jaagt op al dat wild. Ook vader Joop zit verrukt te azen op met name de konijnen en fazanten. Buiten het bereik van het tere kinderzieltje fantaseert hij fluisterend over fazant met Vlielandse cranberry’s. De hennen, maar vooral de jonkies zijn smakelijk en zoetig. En laat deze moeder nu net met een gevolg van drie grote kuikens achter zich aan hinken.
De ex-militair in Joop weet zelfs hoe hij zo’n vogeltje panklaar moet maken. Ik ben er wel nieuwsgierig naar, maar wil het eigenlijk niet horen, vind het zielig. Misschien hypocriet, maar ik zie mezelf, maar ook liever hem, niet met blote handen de nek van zo’n beestje omdraaien. Natuurlijk, we kunnen samen vast honderdenéén situaties te bedenken waarbij dat heel normaal zou zijn, maar dat is nu niet echt het geval, hè?
Wilde fazant is smakelijker dan gefokte. Sommige biologische slagers verkopen hem in het najaar. Die maar doen dan. Dan bespaar ik je de bloederige slachttips. In plaats daarvan een recept voor cranberrysaus. Je kunt het gemakkelijk op de camping bereiden, want je hebt maar één pannetje nodig. Verse cranberry’s zijn alleen in het seizoen (ook vanaf september, dat is geen toeval) te krijgen, in de winkel of in de duinen, bijvoorbeeld op de Wadden. En kleine neefjes vinden dit ook erg lekker, zolang je maar niet vertelt hoe je het beestje op hun bord noemt.
Cranberrysaus
Rasp twee centimeter gember en was een kilo besjes. Doe ze samen in een pan, voeg een laurierblad, 250 gram suiker en eventueel een glas rode wijn, wat sinaasappelrasp, een paar kruidnagels en/of een theelepeltje chilipeper toe. Pers een limoen of citroen uit en laat het geheel zachtjes koken totdat de saus glad is. Een beetje zout en peper erbij en klaar!
FOODPRINT STADSGIDS DEN HAAG

Haagse Mart
Voor al uw kaas, cassave en kousenband
De Haagse Markt (of op z’n Haags: de Mart) (1) is als Disneyland. Je hebt aan vier dagen (maandag, woensdag, vrijdag en zaterdag) niet genoeg om alles te zien, zo groot is hij. De parade is niet zo gelikt, maar minstens even kleurrijk als in het attractiepark en hij leidt je langs verschillende werelden. Maar zoals Walt Disney al zei: ‘It’s a small world after all’, want op de Mart lijkt iedereen elkaar te kennen. Boven de hoofden van de bezoekers wapperen gele vlaggen ‘Welkom op de Haagse Markt, de grootste markt van Europa’. Een ambitieuze leus. Er zijn meerdere markten die de titel zullen claimen, zoals de Italiaanse Porta Palazzo, waar dagelijks ongeveer duizend aanbieders hun goederen uitstallen. Maar de Haagse Mart is zeker geen kleintje, met 530 kraampjes in drie gangen van elk een halve kilometer hoor je tienermeisjes op goedkope hoge hakken verzuchten: ‘Zijn we er al?’
De markt is ook wel eens groter geweest. Tot de jaren dertig stond hij in het Haagse centrum, met name rond de Prinsegracht en de Grote Markt (2) en telde maar liefst zeshonderd kramen. In 1938 verhuisde hij naar de huidige locatie. Dat leverde protest op van kooplieden, die vonden dat het vestigen van de markt aan de rand van de stad gelijk stond aan moord. Voorheen vormde de binnenstad op sommige dagen immers één grote markt. De straatnamen, zoals Dagelijkse Groenmarkt (3), Varkensmarkt (4), natuurlijk de Grote Marktstraat (5) en Grote Markt zelf, vertellen hun eigen geschiedenis. En geschiedenis is het, want vandaag de dag is de biologische markt op woensdag (6) de enige voedingsmiddelenmarkt in het centrum. Om je gulden voor een daalder uit te geven, moet je dus een eindje reizen, naar de grens van de Schilderswijk en Transvaal. De markt trekt nu, dik zeventig jaar na de verhuizing, nog altijd zo’n 40.000 bezoekers per dag. Was het vroeger vooral een Haagse aangelegenheid, met kooplieden en producten uit de regio, tegenwoordig doet het denken aan een exotische promenade, met Turkse olijven, Surinaamse cassave en kousenband en Pakistaanse kledingverkopers. De Surinaams-Hindoestaanse smaak overheerst lichtjes, dankzij de grote Hindoestaanse gemeenschap in Transvaal (een wijk die volgens de gemeente een soort Chinatown voor Hindoestanen vormt.)
Ooit bestonden de snacks op de markt uit Hollandse happen. Die tijd is duidelijk voorbij. Tussen de kleding op rij twee zit de ‘bakplaats’ van Chi (7). De Chinees nam in 1995 de snackbar van de familie Balk over, die overstapten op ondergoed. Chi op zijn beurt verruilde de frikandellen voor loempia’s. De snackbar op de middelste kruising (8) verkocht eerst legendarische friet, nu Turkse pizza. En bij de ingang vanaf het Hoflandplein zat voorheen een snackbar, maar nu Ali’s vis & snacks (alle broodjes vis: € 1,-) (9). De visboer heeft voor iedereen een praatje paraat, met een op maat gekozen ‘Merhaba’, ‘Salam Aleikum’ en ‘Bon dia’ groet hij de mama’s, tantes en dushi’s die langslopen. Die lopen veelal rechtdoor, langs de paden groenten en fruit, of naar links, langs de aardappelboeren (‘Power to the Pieper’ staat er op het spandoek achter de kraam) (10) naar de vis. Vis vind je hier genoeg, want is geschikt voor iedereen; Moslim, Hindoe, Christen of Jood. Bij Volendammer vishandel Bond (11) liggen de kieuwen bloot en rood in de stal, zodat iedereen direct ziet hoe vers de vangst is. De medewerkers achter de uitstalling komen uit Den Haag, ‘Alleen die blanke jongens niet’, roepen ze zelf, wijzend naar de Volendamse eigenaren achter hen.
Hollandse kousenband
Wie wil, laat een verse kokosnoot open hakken, loopt al drinkend van het frisse vocht langs de bakkeljauw en bacoven en waant zich in het buitenland. Hij komt vanzelf A.A. Rakhan (12) en Arie Vink (13) tegen, voor wie de Haagse Mart zeker geen vakantie is. Zij verkopen er al jaren exotische groenten, waaronder natuurlijk de bekende bundels kousenband. De staak van de kousenband kan tot vier meter hoog worden en de peulvruchten zelf één meter lang. Hij is niet te missen tussen de kleuren van de Haagse Mart, niet in de laatste plaats omdat hij in veel keukens gebruikt wordt. Surinamers maken er onder meer roti van, in Azië wordt hij geroerbakt en in Oost-Europa gaat hij in de goulash.
Er wordt niet veel kousenband meer gekweekt in de Westlandse kassen. Ferrols tropische kwekerij aan de Tomatenlaan 26 in Wateringen was één van de kassen die aan het begin van de 21ste eeuw plaats moest maken voor de nieuwbouwwijk die Den Haag er na de annexatie van Wateringen neerplantte. En net als tijdens de verhuizing van de Haagse Markt, werd tijdens het protest van de Wateringse tuinders tegen de kassensloop een doodskist gedragen.
Een enkeling op de Haagse Mart pronkt nog met eigen teelt, zoals Rakhan en Bhaggu (14). Alleen ’s zomers, want in de wintermaanden is stoken een kostbare hobby. Het is sowieso niet eenvoudig, want terwijl er voor tomaten een hele stoet kenners en adviseurs voor handen is, moeten de kousenbandtuinders zelf ontdekken hoe de plant in de kas het best gedijt. De staken worden zo ver van elkaar geplant dat ze genoeg licht vangen en zo min mogelijk ruimte innemen. Hoe meer bloemen de slierten geven, hoe beter de kousenband. De groeitijd van de peul is zes weken, totdat je de zaden ziet zitten. Dan zijn ze klaar voor de verkoop.
Vink versus Rakhan
Ajay Rakhan, vader Henk Rakhan en zijn zwager Anoep Senwath vormen samen het hart van de onderneming A.A. Rakhan. A.A. Rakhan verbouwt exotische producten in Bleiswijk, om ze te verkopen op, onder meer, de Haagse Mart. Het aanbod in de marktkraam van ras-Hagenees Arie Vink lijkt in eerste instantie op dat van de Surinaamse familie. Maar bij navraag blijkt er wel degelijk verschil te zijn.
Hoe lang sta je al op de markt?
Arie Vink: ‘Als vijftienjarig jongetje bracht ik rollen krantenpapier rond om de waren in te pakken. Al snel kon ik bij Janssen fruit gaan verkopen. In 1987 heb ik de kraam over genomen.’
Henk Rakhan: ‘Ruim tien jaar geleden heb ik me ingeschreven voor een vaste plaats, maar die heb ik nog steeds niet. Ja, op woensdag meestal wel, maar op vrijdag en zaterdag ben ik meeloper. Vroeger ben ik veel naar huis gestuurd, maar nu sta ik al zo lang op de meeloperslijst, dat ik als derde of als vierde aan de beurt ben, dus krijg ik altijd een kraam.’
Ajay Rakhan: ‘Toen ik acht was, mocht ik al mee met mijn vader. Dat was altijd gezellig. Tegenwoordig sta ik vooral op de markt in Rotterdam, daar vind ik de sfeer relaxter.’
Wat heb je met exotische producten?
Arie Vink: ‘Toen de Surinamers hierheen kwamen werd de vraag groter dan het aanbod. Ik dook in dat gat in de markt. Eerst met een bakbanaantje, later wat kousenband en extra veel knoflook. Tegenwoordig verkoop ik ook vis, zoals kwiekwie, pepers en kruiden. Die Surinamers gooien overal kerrie in.’
Henk Rakhan: ‘In Suriname verbouwde ik al met mijn vader. Ik houd ervan om planten te kweken. In Nederland doe ik dat in de kas. Die kas is mijn leven. Mijn vrouw kan ik missen, maar mijn planten niet. Ik leverde eerst aan handelaren op de markt, maar nu ik het zelf verkoop, krijg ik direct het geld, dus maak ik meer winst.’
Waar haal je je kousenband vandaan?
Arie Vink: ‘Vroeger uit Suriname, nu uit Santo Domingo, via groothandel Amar (15) in het Forepark of Bikram in Rotterdam. ’s Zomers is er wel kousenband uit de Hollandse kassen te krijgen, maar import blijft goedkoper. Het nadeel is wel dat het al een paar dagen onderweg is voordat het aankomt. In het vliegtuig is geen koeling, ze stoppen zakken ijs in de kratten om het koud te houden, dus soms komen de producten geel aan.’
Henk Rakhan: ‘In de wintermaanden koop ik het bij Amar, maar die kousenband is van mindere kwaliteit. In het seizoen hoef ik die troep echt niet, dan liever eigen teelt.’
Wat is het verschil tussen Surinaamse, Hollandse of andere kousenband?
Arie Vink: ‘Hollandse is wat zoeter. En het schijnt dat de Surinaamse langer is en sneller klaar dan die uit Santo Domingo.’
Henk Rakhan: ‘Mensen die zeggen dat de Surinaamse lekkerder is dan die van hier, praten bullshit. Mijn kousenband is beter dan de import uit Suriname, maar wel echt Surinaams, want geteeld van dezelfde zaden. Mijn familie daar zorgt voor goede kwaliteit. De Dominicaanse kousenband blijft hard en heeft minder smaak.’
Ajay Rakhan: ‘Surinaamse is zacht, Thaise dikker en die uit Santo Domingo harder.’
Anoep Senwath: ‘Het is net als frites. Sommigen houden van zachte, anderen van donkerbruine doorbakken patat.’
En qua prijs?
Arie Vink: ‘Ik verkoop die uit Santo Domingo voor € 4,- per kilo, de Surinaamse voor € 5,-. Mensen kijken toch naar het geld. Als je duur verkoopt, sta je te niksen. Daar houd ik niet van, dus probeer ik onder de prijs te blijven.’
Henk Rakhan: ‘Mijn kousenband is de duurste, maar ook de beste. Wie hem proeft, komt terug. Zo lekker is hij.’
Ajay Rakhan: ‘Ik houd van het spel van snel handelen, wisselen van koers. Dat kan alleen op de markt. Als de oogst goed is, reken je meer. Slechte kwaliteit leggen we apart, voor een kleine prijs. En wij kennen onze producten als de beste, dus we weten wat het waard is.’
Hoe sterk is de concurrentie?
Arie Vink: ‘Die staan verderop, ik heb er weinig last van.’
Anoup Senwath: ‘Concurrenten? Die hebben we niet.’
Henk Rakhan: ‘Ik concurreer niet met prijzen, alleen met kwaliteit. En dat win ik. Maar ja, als ik een goede vaste plek zou hebben, zoals Arie, dan was ik allang binnen.’
En wie zijn jullie klanten?
Arie Vink: ‘Ik heb veel vaste klanten uit de buurt die elke week komen. Vooral op zaterdag. Colombianen, Spanjaarden, Afrikanen, alles. Volgens mij vinden ze het leuk om bij een blanke te kopen. Dan stellen ze expres vragen, om me te testen, weet je wel?’
Ajay Rakhan: ‘We verkopen ook aan toko’s in Rotterdam, zoals Kondreman (16) en Mi Lobi (17).’
Henk Rakhan: ‘Wie bij mij koopt, komt altijd terug. Op de Haagse Mart komen ook veel mensen uit andere steden, Hoofddorp bijvoorbeeld.’
Anoep Senwath: ‘En we krijgen nu meer interesse van Nederlandse mensen. Die willen weten: “Hoe kook je dit?” en dan geef ik graag advies. Ze eten ook veel peper.’
Ajay Rakhan: ‘Dan zeg ik: “Die is heel heet hoor”, “Ja, maar ik houd van heet”, antwoorden ze. Maar de week daarop geven ze toe: “Die was wel heel heet.” Ik heb ze gewaarschuwd, haha. Meestal kopen ze ook juist de rare dingen, zoals sopropo (komkommersoort) en karaila (bittermeloen).’
Henk Rakhan: ‘Kousenband is te gewoon. Probeer eens wat anders. Heerlijk!’
Chinatown
Echt Chinese mie uit Nederland of Mie voor lang leven
Pas in 2003 doopte de gemeente het gebied tussen de Gedempte Burgwal, de Grote Marktstraat, de Paviljoensgracht en het Spui officieel tot Chinatown (1). Maar eigenlijk deed deze wijk, als meest Aziatische deel van de stad, zijn naam al decennia lang eer aan. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bevond zich in Chinatown ook de Joodse wijk van Den Haag. Het Rabbijn Maarssenplein (2), de tot moskee omgebouwde synagoge (3) en het monument met de Davidster op de Gedempte Burgwal (4) zijn daar de stille getuigen van. ‘Gedenk wat Amalek u gedaan heeft… vergeet het niet’, luidt de tekst van het monument. Gedenken doe je tegenwoordig met een bakje menu A (rijst, twee keer groenten en twee keer vlees, € 5,-) van Chinees-Indisch fastfoodrestaurant Ming Kee (5) aan de overkant of met de take-away noodles van de hippe Eazie-keten (6) naast het monument. De Joodse gemeenschap heeft overduidelijk plaatsgemaakt voor de Aziatische.
De eerste Chinese handel vond reeds in de jaren dertig plaats. Ter hoogte van de Bijenkorf bakten twee zogenaamde pindachinezen pindakoekjes. De eerste echte toko werd pas in de jaren zeventig geopend op de Wagenstraat en niet lang daarna dekte restaurant Fat Kee (7) zijn tafels. Dit restaurant op de Gedempte Burgwal heeft een Chinees-Indische keuken, maar Kantonese eigenaren en is nog altijd even beroemd als berucht. De eerste toko is er niet meer, maar Chinatown heeft inmiddels zeven andere mogen verwelkomen binnen haar poorten, zoals de klassieker Cheung Kong (8), Wah Nam Hong (9) als outlet van de groothandel en de nieuwkomers Amazing Oriëntal (10) in de Markthof en de vegetarische toko (naam? 11) op de Wagenstraat. De poorten van Chinatown zijn vooralsnog denkbeeldig, maar er zijn serieuze plannen voor. Hiertegen is echter bezwaar aangetekend door een van de niet-Chinese zaken. Tot ze er komen, is Chinatown te herkennen aan de tweetalige wijze spreuken op de trottoirbanden en de Chinese ondertitels op de straatnaambordjes. Een staaltje van uitgekiende citymarketing door de gemeente.
In Den Haag en omgeving wonen ruim tienduizend Chinezen. Ze bezoeken Chinatown om te eten, drinken, naar de kapper te gaan en boodschappen te doen. De wijk is niet groter, maar met ruim vijftig zaken wel geconcentreerder dan die in Amsterdam. En of het nu door de citymarketingtrucjes komt of door de prettige prijs-kwaliteitverhouding, Haags Chinatown heeft een goede naam.
Mie voor lang leven
Geen Aziatisch restaurant kan zonder mie. En de mie in Chinatown komt vaak gewoon uit Den Haag, van fabriek San Kong in het Forepark (12). Yin Lau (30) is manager van de miefabriek en zal hem binnen een paar jaar van zijn vader overnemen. Vader en moeder Lau kwamen als politiek vluchteling naar Nederland. Van 1983 tot 1989 runden ze toko Cheung Kong (8) en van 1989 tot 1993 restaurant Hung Wang in dezelfde straat, nu beter bekend als Kee Lun Palace (13). San Kong (Kantonees voor ‘nieuwe rivier’) openden ze eveneens in 1989, toen nog in Rijswijk, later aan de rand van de stad op bedrijventerrein Forepark. San Kong levert door heel Nederland en daarbuiten verschillende soorten verse of gedroogde noodles en dumplingvellen. Op producten naar Ierland, Engeland, België, Finland en Frankrijk prijkt een oer-Hollandse molen, zodat de klanten kunnen zien dat het echt Chinese mie uit Nederland is. Haagse mie smaakt anders dan die uit China. De ingrediënten – tarwemeel, water, zout, ei en kaliumcarbonaat – zijn natuurproducten en dus afhankelijk van weersomstandigheden. Yin: ‘Het product is aangepast aan de omgeving.’ Daarom gebruikt San Kong tarwemeel van Meneba (14), die in Rotterdam geproduceerd wordt van tarwe uit Noord-Amerika. ‘Je hebt een harde tarwekorrel nodig. Eerst gebruikten we die uit Duitsland, maar door de klimaatverandering werd die te zacht.’ Een ander verschil met mie uit China wordt veroorzaakt door verschil in wetgeving. ‘In Azië gebruiken ze eendeneieren. Dat is hier verboden. En ze voegen daar kleur- en smaakstoffen toe die hier niet zijn toegestaan.’ Import is zelfs verboden, maar volgens Yin zijn de producten hier toch wel te krijgen. ‘Het importteam kan niet zo specifiek controleren. Daardoor ontstaat oneerlijke concurrentie, want wij houden ons wel aan de wet. We proberen een product te maken dat vers, simpel en gezond is.’
Bij mie is het belangrijk dat je het ‘comfortabel kunt kauwen’. En het mag niet te zwaar op de maag vallen ‘zodat je meer gaat eten’. ‘Restaurants die onze mie gingen gebruiken, verkochten zelfs meer noodles’, grijnst Yin. ‘Maar het ligt ook aan de kok. Die moet het willen gebruiken, dus moet het makkelijk te koken of te wokken zijn.’ Hij weet uit ervaring dat Aziatische koks erg merkvast kunnen zijn. ‘Iemand die al dertig jaar met het ene merk kookt, gaat echt niet ineens overstappen op een ander, ook al is het misschien beter.’ En uiteraard heeft mie ook een symbolische waarde. ‘Klanten vragen wel eens waarom de onze zo lang is. Simpel: lange mie staat voor lang leven.’
De San Kong-outlet op de Gedempte Burgwalis weliswaar tijdelijk gesloten, maar de Haags-Chinese producten zijn door heel Chinatown te vinden. Yin: ‘We leveren vooral aan groothandels, maar ook aan veel horeca.’ Hij mag alle Kantonese restaurants tot zijn klanten rekenen: Kee Lun Palace (13), Cheung Wing (15), Dim Sum Palace (16), Ming Kee Dynasty (voorheen Konotori) (17) en Harvest (18). ‘Fat Kee heeft een eigen mie-machine staan, maar die is kapot, dus soms komt hij alsnog bij mij halen.’ In Nam Wah Hong Supermarkt (9) zijn honderden soorten mie te vinden uit alle windstreken. Er is een heel pad gevuld met verschillende gekleurde pakjes droge noodles en een enorme vriezer is ook nog eens voor de helft gevuld met pakjes mie en wontonvellen. Bij de collega’s is het al niet veel anders. Waarom zoveel soorten? Yin: ‘Vergelijk het met brood. Zoveel mensen, zoveel smaken. Ieder heeft zijn eigen favoriet.’
Ambitie in de keuken
Cheong Ponn (45) is de mede-eigenaar van het paradepaardje van Chinatown: Hotel Wah Do (19). Van eerdere gelukte én mislukte horeca-experimenten leerde hij dat je niet alles alleen kunt. Daarom liet hij vijf Chinese chef-koks invliegen voor het bijbehorende restaurant Long Ting, waaronder Szechuan-chef Gao Bing Li (34).
Chinezen doen alles in een restaurant; ontbijten, lunchen, feestvieren of zakelijke onderhandelingen. En het lijkt wel of elke immigrant vroeg of laat een koksmuts opzet of een dienblad oppakt. Dat heeft volgens Cheong Ponn alles te maken met de taalbarrière. Om te kunnen koken of bedienen hoef je niet per se Nederlands te kunnen spreken. Sterker nog, een Chinees sprekende Chinees draagt bij aan de authentieke uitstraling van het restaurant. In Chinatown duiken steeds weer dezelfde namen op van een klein groepje ondernemers. Zo is Ponn een oude bekende van de mie-familie Lau, want ook hij werkte bij Kee Lun Palace, toen het al geen Hung Wang meer heette, maar Fu Lam Moon. Wat hij daarover zegt, is helaas illustratief voor meerdere Chinese restaurants in de jaren negentig: ‘De zaak was in slechte staat. De keuken was vies en het was letterlijk levensgevaarlijk om daar te werken, want het plafond stond op instorten.’ Hij bleef er twee jaar bedienen, totdat hij genoeg geld had voor een eigen zaak. ‘Indonesische toko’s waren in de mode, dus opende ik toko Java op de Gouverneurlaan.’
De van oorsprong Kantonese Ponn heeft leren koken van zijn vader, één van die immigranten die zich in de jaren zestig het vak uit nood eigen had gemaakt. ‘Maar het was moeilijker dan ik dacht’, bekent Ponn, ‘koken én verkopen ging me slecht af, dus ben ik weggegaan bij toko Java.’ Hij was terug bij af en werd mede-eigenaar bij Fu Lam Moon. Daar ontmoette hij Theo van der Meer, een vastgoedbelegger, die wel brood zag in het opkomende Chinatown. Hij deed Ponn een aantrekkelijk aanbod: ‘Als je nog eens iets anders wilt, kun je bij mij aankloppen.’ En zo geschiedde.
Het idee voor het Wah Do hotel in Chinatown kwam van de gemeente. Die had ook al meteen twee panden voor handen en vroeg Ponn de zaak op te zetten. De ondernemer vond in Van der Meer een investeerder en hij liet dus vijf koks uit China invliegen voor het restaurant Long Ting. ‘Ik wilde er een origineel Chinees restaurant bij. Dat betekent dat ik nooit fu yong hai, tjap tjoy en babi pangang op de kaart zal zetten. Die gerechten zijn in feite een Nederlandse uitvinding. Nee, hier serveren we speenvarken, kreeft of Chinese groenten waar je nog nooit van gehoord hebt. Alles geïmporteerd uit China.’ Ook de mie, want – helaas voor zijn vriend Yin Lau – is San Wah-mie uit China makkelijker te verwerken en krokanter dan die van San Kong, aldus Ponn.
Gao Bing Li, één van de vijf chefs, is nog geen maand werkzaam in de keuken van het hotel en oogt even exotisch als de geïmporteerde groenten. Zijn grote ogen kijken een tikje verbaasd de wereld in. Ze glimmen als hij in het Mandarijns uitlegt dat koken zijn passie is, maar vooral serieus genomen moet worden. ‘In China is koken een vak, waar je jarenlang voor moet studeren. Vorm, kleur, geur en smaak moeten volmaakt in balans zijn.’ Voor Li is het even wennen dat de Chinese keuken in Nederland niet als zodanig wordt benaderd. ‘Ik ben gewend dat koks ambitieus zijn, dat ze telkens bijscholen. Dat is hier veel minder gewoon, terwijl Chinese gasten hartstikke kieskeurig zijn.’ Vooral gerechten uit de Szechuan-streek vragen om een kundige meester. Li is dan ook de enige in Den Haag die gecertificeerd is om deze te bereiden. ‘Andere gebieden kennen de specifieke kruiden niet. Ik, als Szechuan-chef, kan wel andere gerechten bereiden, bijvoorbeeld Kantonese, maar andersom kennen zij mijn keuken niet.’
Chinezen zijn de belangrijkste doelgroep van zowel het hotel als het restaurant. En hoewel er vaak Amerikanen en Europeanen in de kamers van Wah Do verblijven, zitten rond de tafels van Long Ting vooral Chinezen, Nederlandse Chinezen welteverstaan. Volgens de chef hebben zij niet dezelfde smaak als Chinezen die in China wonen. Na tientallen jaren in ons land hebben zij hun smaak aangepast. Voor sommigen van hen is het dan ook een verrassing dat er tegenwoordig Szechuan-gerechten gegeten kunnen worden in Long Ting. Li lacht timide: ‘Ze vinden het eten echt authentiek en ik krijg hele goede feedback in de keuken. Dat is het allermooiste aan mijn vak.’ Voorlopig blijft hij in Nederland, want hij voelt zich thuis. Alleen nu moet hij nog iemand vinden die hem Europees wil leren koken, zijn nieuwste ambitie.
|